Zeemeeuw, witte veer tegen het zout,
draait boven de pier, krijgt de wind in de snavel,
roept wie niet luistert toch terug naar de kim.
Zeemeeuw, ik ben schipbreuk van binnen,
jij beukt niet, jij hangt –
een vraagteken aan een blauw dat nooit antwoord geeft.
Vouw mij zoals jij je vleugels vouwt:
niet om te landen, maar om te blijven twijfelen.